De bekende schildering van Kawahara Keiga van De Groote Partij, naar de Nederlandse titel De groote partij, in de kamer van het Opperhoofd, zijn op het Eijland zoals die voorkomt op tenminste vier van mogelijk acht bekende copieën die naar het origineel van Keiga werden gemaakt (zie hieronder voor een overzicht) heeft op het origineel de vrij neutrale titel ‘Interieur in Nagasaki Deshima,’ Nagasaki Deshima kannai no zu 長崎出島舘内之圖 (Deshimazu 229). In een ruim vertrek met tatami-matten en de beglaasde schuifpanelen open voor een uitzicht op de Baai van Nagasaki met twee Hollandse schepen voor anker, zien we een gezelschap van vijf Hollanders, twee Japanse heren, drie Japanse dames, een Maleise bediende en een hondje.

Verschillende schrijvers hebben zich moeite getroost de gelegenheid en de afgebeelde personen te duiden. De vroegste bron, mij bekend, is Kuroda Genji in zijn Nagasaki kei yōga 長崎系洋画. Tokyo: Sōgensha 創元社, 1932, pp. 84-87. Kuroda gaat ervan uit dat de man midden achter de ronde tafel het opperhoofd zal zijn, daarbij denkend aan ofwel Jan Cock Blomhoff (1779-1853, Opperhoofd 1817-23) ofwel Joan Willem de Stürler (1774-1855, Opperhoofd 1823-26). Maar overigens denkt hij niet dat we dit als een waarachtige schildering naar de werkelijkheid moeten zien, eerder een impressie van het leven op Deshima. Zo is daar de man links die we op de rug zien die het geheel gadeslaat, de man die zijn jas heeft uitgetrokken en zich rustig, het ene been over het andere geslagen, nog een glas inschenkt, en de man in de rode jas die zich aan de Japanse dame opdringt. De enige die wat problemen met de hele setting lijkt te hebben is de man in de voorgrond in gesprek met de twee Japanse heren, tolken denkt hij, en dat zou Philipp Franz von Siebold (1796-1866, op Deshima 1823-29) kunnen zijn. In de man rechts meent hij zelfs, vanwege zijn ‘Drie Sterren,’ mitsuboshi 三ツ星 mon op zijn hakama Yoshio Gonnosuke 吉雄権之助 te herkennen. Overigens lijkt het onwaarschijnlijk dat tolken een zwaard zouden mogen dragen.

De Groote Partij (Courtesy Tokyo Geijutsu Daigaku)

C.R. Boxer in zijn Jan Compagnie in Japan 1600-1817. Tokyo, London en New York 1968, pp. 105f. is het in het geheel niet met Kuroda eens en meent dat de schildering zelfs vroeger kan zijn. Daarbij denkt hij dat de man in de rode jas Hendrik Doeff jr. (1777-1835, Opperhoofd 1803-17) zou kunnen voorstellen, “since he had two children by a Japanese woman during his long sojourn in Nagasaki.” Ook met Kuroda’s gedachte dat de jonge Hollander in gesprek met de Japanners Siebold zou zijn is hij het niet eens. De man op de rug gezien ziet hij als een matroos van een van de schepen—maar die komen nooit op het eiland. De jonge man in gesprek met de twee Japanners probeert volgens hem de avond die “if it continued as it had begun must have gone into the ‘wee sma’ hours’” nog enigszins de schijn van fatsoen te verlenen. Verder vermeldt hij nog enige andere copieën van de schildering die hem bekend zijn.

Hoogstwaarschijnlijk voortbordurend op de suggestie van Boxer dat het wel Doeff zou kunnen zijn, komt J. Stellingwerff in zijn De diepe wateren van Nagasaki. Franeker, 1983, p. 51 tot de conclusie dat deze partij de viering van twee eeuwen Nederlands-Japanse vriendschap verbeeldt, gevierd op 28 februari 1809. Daar ziet hij, evenals Boxer, in de man met de rode jas Opperhoofd Doeff jr. Midden achter de tafel zit dan de klerk Gozeman en de man die zich het glas inschenkt zou de factorijarts J.F. Feilke (stierf 1814) zijn. De boekhouder Brinkman is dan de man in gesprek met de Japanse heren, en linkst staat de klerk Schimmel. Het schip voor anker zou dan de Amerikaanse Mount Vernon zijn. Toch houdt Stellingwerff andere mogelijkheden open, “Of werd de tekening van de grote partij toch twintig jaar later gemaakt, zoals een andere verklaring wil?”

De meest uitgebreide bespreking van de schildering is die van R.M. Vorstman, “De Groote Partij,” in Jaarverslag 1983 van de Vereeniging N.H.S.M. Amsterdam: Nederlands Scheepvaartmuseum, pp. 36-45 die zich kennelijk niet wilde neerleggen bij het verhaal van Stellingwerff. In zijn zeer degelijke onderzoek maakte Vorstman niet alleen gebruik van het officiële Dagregister dat Opperhoofd De Stürler bijhield, maar dankzij Mevr H.M.C. Boekwijt-de Sturler kon hij ook beschikken over verscheidene passages uit de particuliere dagboeken van het opperhoofd.[1] Het feit dat het exemplaar dat het Amsterdamse Scheepvaartmuseum in 1981 verwierf, de aanleiding voor zijn studie, een copie betrof naar een origineel van Kawahara Keiga 川原慶賀 (1786-1860er jaren, toegang tot Deshima 1823–), gaf hem aanleiding te kijken naar de verschillende feesten op Deshima in de jaren 1809 t/m 1828. Aangezien er, althans in de originele schildering, twee Hollandse schepen voor anker zichtbaar zijn en dit op de Handelstijd wijst die doorgaans vanaf Augustus begint, valt een aantal feesten in januari, juni en december af en blijft alleen het verjaardagsfeest van Koning Willem I op 24 augustus over als een mogelijke aanleiding voor de Groote Partij. Verder geeft het hondje in de schildering—zoals we later zullen zien—hem aanleiding die viering van de verjaardag in 1825 te situeren.

Van Overmeer Fisscher in zijn Bijdrage tot de kennis van het Japansche rijk. Amsterdam 1833, p. 272, aanhalend, memoreert Vorstman dat:

     Op den 20en der negende maand [en dat is 31 october 1825] moeten de schepen, volgens een keizerlijk bevel, naar de buitenreede of den Papenberg vertrekken /…/ Gewoonlijk krijgt men kort voor dit vertrek op het Eiland en aan boord der schepen een bezoek van den aftredenden en aankomenden Gouverneur, die elkaar in deze maand vervangen. De toebereidselen en pligtplegingen bij dergelijke gelegenheden zijn niet gering: de straten en de gebouwen worden schoongemaakt, en de grond met een pad wit zand bestrooid. De huizen moeten gesloten blijven, en niemand mag zich op straat begeven. Genoemde Heeren worden bij het Opperhoofd onthaald, en brengen eenen geduchten stoet van gevolg mede. Bij dergelijke gelegenheden moet men zich getroosten, om het Japansch compliment op de matten af te leggen, en zoo lang men hen verwelkomt of hun de afscheidsgroet geeft, op den grond te zitten, op dezelfde wijze, als de Japanners zulks gewoon zijn.

En iets later, op p. 273, vervolgt Fisscher:

     Buiten genoemde plegtige gelegenheden ontvangen wij de Japanners, in den dagelijkschen omgang, naar onze wijze; zij zetten zich op stoelen, en de tolken zijn gaarne aan onzen disch. Zij krijgen tweemaal ’s jaars eene partij of gastmaal bij het Opperhoofd, ter gelegenheid van ’s Konings Verjaardag en bij het Nieuwejaar, en hebben alsdan de gewoonte, om, behalve dat zij zich zelve ruim te goed doen, al het overschietende mede te nemen; de meesten pakken het eten in papier, en verbergen het in hunne wijde mouwen.

Aangezien de twee Japanse heren in de schildering van de ‘Groote Partij’ op stoelen zitten, komt Vorstman—en hij is niet de enige—tot de conclusie dat de gelegenheid wel de viering van de verjaardag van Z.M. de Koning op 24 augustus 1825 moet zijn, met dien verstande dat die viering in 1825 werd uitgesteld tot 8 october. De reden hiervoor was dat op die dag nog niets vernomen was van de Johanna Elisabeth, kapitein M. Mesdagh, het tweede schip dat op 2 juli gelijktijdig met de Vasco de Gama, kapitein A. Bezemer, vanuit Batavia naar Nagasaki vertrokken was, terwijl de laatste daar al op 6 augustus voor anker ging. Zo noteert Opperhoofd De Stürler op 24 augustus in zijn DagregisterZ.M. Geboortedag. Liet de groote vlag hijschen. Doch stelde de viering daar van uit wegens de ongewisheid waarin wij ons bevinden over het uitblijven van het schip”. En dan, op zaterdag 8 october:

     De sedert den 240 Augustus uitgestelde viering van den verjaardag van Z.M. den Koning had heden plaats. Het Opperhoofd ontving felicitaties van de Nederlandsche en Japansche Ambtenaren bij de faktorij en gaf een diner waarbij dezelve tegenwoordig waren. De vlaggen wierden geheschen en de s’avonds waren de schepen en de woningen op Dezima met lantaarns geillumineerd.

De Vasco de Gama en de Johanna Elisabeth voor anker in de Baai van Nagasaki, 1825 (Courtesy Nationaal Archief, Den Haag)

Vorstman komt met enkele suggesties voor de identiteit van de afgebeelde personen, maar weet mij niet geheel te overtuigen. In de man met de blauwe jas herkent Vorstman het Opperhoofd De Stürler, en in de jonge man in de voorgrond zijn zoon Jacques Eduard de Stürler (1800-1840). Overigens denkt hij dat de (wat oudere) man in de rode jas Pakhuismeester Van Overmeer Fisscher (1800-1848) zou zijn, die dan net 25 jaar oud is, en dat lijkt dus niet erg waarschijnlijk. Zijn identificatie van de man die zich het glas inschenkt als een van beide kapiteins heeft het nadeel dat dan de andere kapitein ontbreekt. De alternatieve identificatie die hij geeft, als Carl Hubert de Villeneuve (1800-1874), een van de assistenten van Siebold, lijkt ook minder waarschijnlijk wanneer Siebold noch Bürger aanwezig zijn. En wat betreft de man op de rug gezien, komt hij met de suggestie van de klerk Verkerk Pistorius waarvan De Stürler geen hoge dunk heeft en vandaar waarschijnlijk dat wegwuivende gebaar. Dat is zeker heel goed denkbaar.

Om tot een volledig sluitende en overtuigende identificatie van de personen in de schildering te komen meen ik dat we iets nader naar de toenmalige bemanning van de Deshima moeten kijken. De oudste in de handelspost is zonder twijfel Opperhoofd De Stürler, dan 50 jaar oud. De tweede is kapitein Ary Bezemer (1783-1853) en dus 41 of 42 jaar oud. Dan komt Siebold, precies 29 jaar oud, Pakhuismeester Overmeer Fisscher en Carl Hubert de Villeneuve zijn beiden 25, de Scriba Pierre van Outeren is 24 jaar, de klerk Verkerk Pistorius 20 jaar, en Heinrich Bürger (1806-1858) 19, ook al zei hijzelf liever dat hij 21 was. Dan moeten we wel concluderen dat de man in de blauwe jas midden achter de ronde tafel Opperhoofd De Stürler is, naast hem een courtisane met een poes in de armen. Over die blauwe jas vinden we een opmerking in het particuliere dagboek van De Stürler “Hij [de Secretaris van den Gouverneur] gaf mij te kennen dat hij mijn rok, die van donkerblauw fluweel met goud rijk geborduurd was, zeer fraai vond en verzocht ook mijn hoed te mogen zien, dien hem ingelijks zeer fraai toescheen” (5 augustus 1824). En de wat oudere man die rechts van hem zit, met de rode jas, die zich aan de jonge courtisane opdringt, zal dan toch Kapitein Bezemer moeten zijn. Resteren de man met zijn hoed op het hoofd die zijn jas over het kamerscherm in de voorgrond heeft gelegd, en de jonge man in gesprek met de twee Japanse heren. In elk geval lijkt hij niet of nauwelijks op Siebold zoals we die van schilderingen van Keiga kennen.

Een antwoord vinden we alweer in het Dagregister, waar we op vrijdag 21 oktober 1825 lezen dat het Opperhoofd een ontvangst voor beide gouverneurs van Nagasaki organiseert:

     Ze kwamen vervolgens [dat zijn de beide gouverneurs, na een inspectie van de schepen, zie het citaat van Fisscher hierboven] op het Eiland aan mijn huis waar zij op de best mogelijke wijze wierden ontvangen en zich zeer minzaam betoonden. Ik stelde hun mijnen zoon voor aan wien zij eenige vragen deden en vleijende gezegden toevoegden. Zij gingen vervolgens naar den Tuin zagen biljard spelen, bezigtigden de Verzameling van Nat. Zeldzaamheden van Dr. Von Siebold en verlieten daarna het Eiland.

En in zijn particuliere dagboek lezen we nog dat “Er wierd hun gebak en liqueur en chocolade enz. als volgens gebruiken gepresenteerd”. Inderdaad ‘als volgens gebruiken’ bij deze jaarlijks terugkerende partij wanneer de ene gouverneur uit Edo terugkeert en de andere naar Edo afreist, en zij gezamenlijk de gelegenheid te baat nemen zowel de schepen te inspecteren als het opperhoofd te begroeten, en eventueel kennis te maken met het aankomende opperhoofd. Overigens waren de beide gouverneurs dezelfde die ook het jaar tevoren, toen op 31 oktober 1824, deze inspectie uitvoerden, Hidekata Izumo no Kami 土方出雲守 en Takahashi Echizen no Kami 高橋越前守. Ook toen woonde Siebold al in het grote huis in de tuin waar hij alle ruimte had om zijn verzameling op te slaan. Bij die gelegenheid noteert De Stürler in zijn particuliere dagboek:

     /…/ waarna zij het huis in den tuin, thans door den Dokter bewoond, hebben bezichtigd, die voor hen op de forte piano gespeeld en hun vertoond heeft 100 afteekeningen van Jap. Planten, bestemd om met meerdere alhier in druk te worden uitgegeven over welk een en ander zij hun genoegen te kennen gaven.

In 1825 had De Stürler nog een extra wens, zoals uit een toevoeging in zijn particuliere dagboek blijkt “/…/ en zich uiterst minzaam betoonden /…/ door aan mijnen zoon, welken ik hun verzocht en verkregen had, te mogen voorstellen …” Ja, de Japanners houden niet van verrassingen, en dat is de dan 25-jarige Jacques Eduard de Stürler die, met verlof uit Nederlands Indië, van de gelegenheid gebruik maakt zijn vader tijdens de handelsperiode op Deshima te bezoeken. Hij is dan ook de jonge man in de voorgrond in gesprek met de beide gouverneurs, Hidekata Izumo no Kami en Takahashi Echizen no Kami, beiden zeker gerechtigd twee zwaarden te dragen, het lange zwaard hebben zij vanzelfsprekend bij de ingang achtergelaten. Dan rest slechts de man in de schildering rechts die zijn jas over het kamerscherm in de voorgrond heeft gelegd en zich een glas jenever inschenkt. Dat moet dan wel Kapitein M. Mesdagh zijn, ook deelgenoot in de inspectie van de schepen door de beide gouverneurs. En het grote gezelschap waarvan Fisscher spreekt zal mogelijk wel in een grotere ruimte dan deze op de matten zitten, maar dit is ongetwijfeld even een kort samenzijn alvorens men zich voor de echte ‘Groote Partij’ bij dat gezelschap voegt. Als er al een Groote Partij was, Opperhoofd De Stürler schrijft immers “/…/ en verlieten daarna het Eiland”.

In elk geval lijkt het hoogst onwaarschijnlijk dat het hondje van Opperhoofd De Stürler ook in die grote ruimte met tatami en alle gasten op de grond zittend vrolijk achter het eten aan zou mogen huppelen. Omdat De Stürler zich soms wat alleen voelde op Deshima dacht hij wel een hondje te willen hebben. Op 15 juli 1824 noteert hij in zijn particuliere dagboek dat hij van “Tamifatsiro” /…/ “ook het hondje” had ontvangen. En in december 1825 “De zoon van Dennosin had voor mij een hondje in den nest gekocht /…/ doch in plaats gaf hij er mij een van tenminste 1½ jaaren oud. Kapt Bezemer heeft hem van mij overgenomen”. Dit is hoogstwaarschijnlijk Tamehachirō 為八郎 (?), de zoon van Yokota Dennoshin 横田伝之進 (?), de 2e secretaris van de gouverneur die, zoals we al zagen, de blauwe jas van het opperhoofd zo mooi vond. En zo valt alles precies op zijn plaats voor dit wat particuliere bezoek van de beide gouverneurs van Nagasaki aan het opperhoofd, na eerder die dag, 21 oktober, de schepen te hebben geïnspecteerd.

Tot slot moeten we helaas vaststellen dat Vorstman, die er in een brief van april 1982 nog van uitging dat “de voorstelling van de Groote Partij betrekking heeft op het bezoek van de beide Gouverneurs aan Deshima op 21 oktober 1825” zich uiteindelijk niet door alle door mevrouw Boekwijt-de Sturler aangedragen passages uit de particuliere dagboeken van De Stürler liet overtuigen, die ‘de Groote Partij’ in haar brief van september 1983 wèl met de ontvangst op 21 oktober 1825 associëert.

Een maaltijd in het Groot Opperhoofd’s Woonhuis (Courtesy Prefectural Museum of History and Culture, Nagasaki)

Het hondje van Opperhoofd De Stürler en de wat nonchalant geklede man zien we ook in een andere schildering van Kawahara Keiga, alweer een interieur in het huis van het Opperhoofd. Stellingwerff ziet hierin een voorstudie voor de Groote Partij. Omdat de schilder Kiosky [sic] problemen met het perspectief had “/…/ oefende Kiosky zichzelf door het maken van verschillende exemplaren van twee taferelen, één met de figuren om een ronde tafel in het midden van de grote kamer en één aan de eettafel in de hoek van het vertrek.” Ook hier zit Opperhoofd De Stürler in het midden achter de tafel en naast hem weer de courtisane die een poes in haar armen houdt. Naast hem, staand en het vlees snijdend, Siebold, direct herkenbaar aan de groene muts uit zijn studietijd in Würzburg waar hij lid was van de Moenania studentenclub. Tegenover hem, herkenbaar aan de hoed met bontrand waarmee hij, als Jood, het hoofd gedekt houdt, Bürger. Tussen hen in aan het verre eind van de tafel zal dan wel De Villeneuve zitten. Links van het opperhoofd zou dan Kapitein Mesdagh zitten, zijn hoed op en alweer zijn glas volschenkend. Dan moet de wat oudere man aan de korte kant van de tafel wel Kapitein Bezemer zijn, en als laatste, naast Bürger, zit alweer de jonge Jacques Eduard de Stürler. Zo hebben we inderdaad een alleszins denkbaar gezelschap aan tafel voor de maaltijd die dagelijks in het Groot Opperhoofds woonhuis wordt opgediend. Bovendien kunnen we nu ook deze schildering nader dateren tussen eind augustus wanneer beide schepen veilig voor anker zijn en 31 october wanneer ze weer vertrekken naar de Papenberg. En inderdaad huppelt het hondje dat Kapitein Bezemer later, op 20 december, mee zou nemen naar Batavia, nog vrolijk achter de Maleise bediende aan die een schotel eten binnenbrengt.


[1] Evenzo kon ik dankzij Björn de Sturler over die passages beschikken die voor deze interpretatie van De Groote Partij van groot belang waren.